Onze welvaartsparadox

Het heerlijk avondje is voorbij, en we staan alweer klaar voor de volgende consumptieve vloedgolf. Want de meesten van ons hebben het materieel goed, en beter dan tien jaar geleden laat staan vijftig jaar geleden. Toen hielp ik mijn moeder nog met sokken stoppen en koffie malen. En als ik ziek werd hielp zij mij met alles. Werd zíj daarentegen ziek, dan was de mantelzorg niet meer wederzijds maar konden we sinds kort een beroep doen op de wijkverpleegster in strakgestreken uniform. Dat was een verworvenheid van onze verzorgingsstaat in opbouw, evenals diverse sociale verzekeringen en andere collectieve vangnetten. Daarvoor stemden we keurig op de Katholieke Volkspartij, welke samen met twee protestantse partijen en met de Partij van der Arbeid in langjarige regeercoalities na de oorlog dit stelsel voor sociale zekerheid opzette. De VVD, die daar minder voor warmliep, was eeuwige minderheidspartij.

De welvaartsgroei stond toe, dat tegelijkertijd onze privé-uitgaven stegen. Wij thuis kregen telefoon en een geiser, anderen gingen op vakantie naar de Ardennen of kochten een auto. En de kinderen gingen eerder zelfstandig wonen.

Die economische groei kreeg een deukje met de oliecrisis van 1973. Parallel daarmee was in de jaren ’60 een tendens tot individualisering gestart: weg met de kuddegeest, weg met de bescheidenheid. Nog even niét weg met de solidariteit, maar dat zou láter komen. Intussen is dit overigens steeds meer míjn uitleg van de geschiedenis luisteraars, een uitleg waarvoor genoeg geleerde medestanders te vinden zijn hoor maar ook wel geleerde tegenstanders.

Langzamerhand begon ook het idee post te vatten dat we moeten kiezen tussen individuele en collectieve uitgaven. En tegelijk begon men te vinden, dat de úitvoering van de collectieve voorzieningen best aan particuliere ondernemingen kon worden overgelaten. Een keerpunt was daarbij volgens mij begin jaren 1990, toen de Partij van de Arbeid haar ideologische veren afschudde en na honderd jaar socialistisch denken definitief koos voor dat particuliere ondernemingsschap. Dit kon niet voorkomen, dat die oorspronkelijkere voorstander van het ondernemerschap, de VVD, haar in populariteit inhaalde en voorbijstreefde. En zíj begon collectieve voorzieningen zoals werkloosheidsuitkering en thuiszorg af te knijpen.

Een andere maatschappelijk trend was intussen de vereenzaming van vele ongehuwde, gescheiden, door het land verhuisde, te oude of door de jachtige werk- en leefatmosfeer onzeker geworden mensen. Voor hen stonden geen familieleden meer klaar want die hadden en hebben het te drukdrukdruk.

En momenteel is dan een historisch debat gaande. De ene kant, aangevoerd door de VVD, zegt dat we met zijn allen te afhankelijk zijn geworden van te dure overheidsvoorzieningen en dat we meer eigen initiatief en mantelzorg moeten inschakelen.

De andere kant, aangevoerd door de SP, zegt dat afbraak van collectieve voorzieningen onsolidair is en veel mensen in armoede en eenzaamheid stort.

En u, luisteraar, u kiest partij. Straks bij verkiezingen, maar ook door uw aankoop van een verantwoorde verzekering, van verantwoorde voeding, kleding, enzovoorts.

En over vijftig jaar zullen we met verbazing terugkijken naar het paradoxale waar we nú samen met open ogen in lopen: grote welvaart tegelijk met plaatselijke armoede en een bitter schraal welzijn.

Muziek

na drie seconden a.j.b.:

CD Sjastakóvietsj spoor 1; duurt 3 minuten, dus Michiel: eerder wegdraaien lijkt me, in overleg met de presentator. Het is niet kéihard maar wel een beetje hard.

Aanbevolen afkondiging:

We hoorden een stukje uit de openingsmars van de Tweede Jazzsuite van de Russische componist Dmítri Sjastakóvietsj – ja zo spreek je dat uit –, die leefde van 1906 tot 1975. Life uitvoering van dit soort grote orkeststukken wordt steeds minder gesubsidieerd, dus steeds minder bereikbaar voor gewone mensen. Het is een keuze, maar nu hadden we even feest.


© 2024 Toon van der AA