Jeuk

Als kind logeerde ik eens samen met mijn moeder in de grote stad, bij onze tante Geertrui. Hoe leuk en gezellig die logeerpartij ook was, dat genoegen werd getemperd door slaapgebrek. Allebei werden we namelijk keer op keer ’s nachts wakker door ontzettende jeuk. Vlooien waren het niet, en dat zouden dan ook gespecialiseerde nacht- en ochtendvlooien zijn geweest want later op de dag hadden we geen last. Maar wat bleek: tante waste haar lakens niet in een grote tobbe zoals mijn moeder deed, maar legde ze een nachtje in een inweekmiddel, het ook nu nog bekende Biotex; ’s morgens een keertje spoelen, ophangen en ongestreken weer op het matras ermee. Tante werd niet voor niets luie Trui genoemd. Taaie Trui had dus ook gekund, want haar huid was óf genetisch olifantendik óf door jarenlange jeukervaring gehard geraakt.

Zoals eten en drinken vroeger niet zozeer als medisch onderwerp werden gezien, zo is dat met jeuk voor een deel nog steeds het geval. Het heet een kwestie van hygiëne of van pech: dunne huid, niets aan te doen. Alleen als we duidelijk bulten of uitslag hebben, zichtbaar en tastbaar bewijs van een aandoening, durven we met goed fatsoen naar de dokter, want anders is het  iets onbenulligs dat we maar moeten verdragen. En dit, terwijl er ettelijke serieuze verschijningsvormen en oorzaken van jeuk bekend zijn, dikwijls nog goed behandelbaar ook. Doe je er niets aan, uit ouderwetse kleinering of uit valse schaamte of om wat dan ook, dan kan dat je levenskwaliteit ernstig aantasten.

Ik ken een paar mensen met chronische jeuk, en heb er zelf ook altijd mee geworsteld. Niet alleen bij tante Trui maar ook elders stond ik vaak met mijn rug tegen een deurkozijn te schurken, wat mijn ouders afdeden als jeugdig dwanggedrag dat maar gauw over moest gaan. Later schoof ik tijdens het werk tersluiks onder de vergadertafel een schoen uit — dat doe ik nú ook — om met de andere onder mijn jeukende voetzool te kunnen wrijven. En als ik eens van huis ga zónder mijn krabbertje op een steeltje dan voel ik me bijna naakt. Ik smeer me gek en arm aan vochtinbrengende huidcrèmes, en merk dat met het klimmen der jaren mijn handen een groter wordend stuk van mijn lichaam niet meer kunnen bereiken — wát een schrikbeeld voor de oude dag, en stel je voor dat ik dan ook nog niet goed meer zou kunnen praten om te zeggen wáár het jeukt!

Zelfs in dromen ben ik niet jeukvrij, zeker niet in die ene nachtmerrie over een Afrikaanse gifslang die je met één beet een jeuk bezorgt waardoor je jezelf zó open krabt dat je daar helemaal van doodbloedt.

En dan die paradox, dat sommige jeuk als een goed teken moet worden beschouwd, namelijk bij helende wonden onder een pleister of onder gips, en als een arts nog meer zogenaamd positieve jeuk weet te melden dan belt u ze maar naar Radio Signaal en dan ben ik niét degene die de telefoon opneemt hoor! Ik ben te druk met het insmeren van mijn lijf, met het hanteren van mijn krabbertjes, of met het voorzichtig lospeuteren van een kriebelend wondkorstje. Of met het in de hoog geconcentreerde wasverzachter dompelen van een grondig gewassen en uitgespoelde trui, zoals ik indertijd ook wel had willen doen met mijn tante Trui. En nu krab ik weer even. [ krabgeluid ] Ehh, lekker!

Muziek:

Van de CD ‘Klassik Highlights’  SPOOR 2, Mendelssohn’s vioolconcert

Duurt 6’29”, dus draai gerust (wel) weg.

Aanbevolen afkondigingstekst:

“We luisterden zojuist naar een stukje uit het vioolconcert van de Duitse componist Felix Mendelssohn [uitspraak: fééliks mèndelsoon] , die leefde van 1809 tot 1847, niet zo lang dus. Onze columnist heeft het gekozen omdat het prachtige muziek is, maar ook omdat je met zo’n strijkstok heerlijk je rug kunt krabben als het weer eens ondraaglijk jeukt.”


© 2024 Toon van der AA