Het is lang geleden dat ik u heb toegesproken, dames en heren. En ik vrees dat een aantal van u intussen aan Corona is overleden. We hebben bíjna een periode achter de rug, waarin velen van ons in angst voor dat virus hebben geleefd. Zéker vóórdat inenting ons in aanzienlijke mate beschermde.
Die angst deed me denken aan mijn kindertijd, jaren 1950, toen mijn moeder me uit bezorgdheid waarschuwde tegen van alles. Vooral polio oftewel kinderverlamming scoorde hoog. Dat kon ik krijgen als ik niet vroeg genoeg naar bed ging. Dan kreeg ik allerlei lichaamsmisvormingen. Of ik moest een groot deel van mijn leven in een zogeheten IJzeren Long liggen, een griezelig soort afgesloten koker van zo’n meter doorsnee waar alleen je hoofd uitstak.
De longziekte tuberculose was ook eeh, populair, en denk maar niet dat een verblijf in een sanatorium in Zwitserland aangenaam was, want dit verblijf ging samen met een vreselijk streng dieet, het leek er wel een gevangenis met water en brood.
Je sprak overigens niet over tuberculose maar over tbc of tb, zoals je niet sprak over kanker maar over ‘de K’. Dit vanuit een soort magische angst om de ziekte uit te lokken.
Er waarde nóg een angst door mijn kinderjaren, en dat was de dreiging van ‘de Rus’ of van ‘het communisme’. Het goddeloze en tirannieke communisme wilde de wereld veroveren, te beginnen met Nederland of nou ja Europa. Het communistische Rusland onder Stalin had al diverse Oost-Europese landen achter het IJzeren Gordijn laten verdwijnen, en dat IJzeren Gordijn was minstens even erg als een IJzeren Long. In november 1956 kwam Hongarije daartegen in opstand, een opstand die bloedig werd neergeslagen. Wij vroegen ons af wanneer wij aan de beurt zouden komen. Sommigen van ons denken datzelfde waarschijnlijk vandaag ook, bij het nieuws over de oorlog in Oekraïne. En al helemaal als je hoort dat vriend Poetin misschien wel atoombommen gaat gooien. Onze angst voor de atoombom volgde onze angst voor het communisme min of meer op, zeker na de ‘Cuba-crisis’ van 1962, toen we op een nieuwe wereldoorlog leken af te stevenen. Het is nu alsof we in hetzelfde lekke schuitje als tóen terecht zijn gekomen.
Als ik einde jaren ‘50 jaren wel eens in ons voortuintje aan de straatkant zat, dan kwamen er soms een paar opgeschoten meiden op de fiets langs, die me wegens mijn dikke wenkbrouwen en norse oogopslag stelselmatig voor ‘Rus’ uitscholden – wat een grote belediging was. Want Russen hadden inderdaad dikke wenkbrouwen en een norse oogopslag, en ze waren allemaal communist. En Nederlandse communisten waren allemaal spionnen en saboteurs. Dus onze frietboer, van wie werd gezegd dat hij op de communistische partij stemde, die mocht van geluk spreken dat ie in het hele dorp geen patatconcurrentie had. Anders was hij al zijn klandizie van ons keurige katholieken kwijt geraakt. Het kwam ook goed uit, dat zijn café een biljart had en dat het ons niet lukte om bang voor hem te zijn.
Afijn, we hebben het overleefd, inclusief de frietboer, dus we maken vandaag ook nog wel een kans denk ik.
——————————————————
Muziek:
Vijfde symfonie van Sjastakóvietsj (vaak gespeld als Sjostakovich, Chostakovich of zo, helemaal vanaf het begin, minimaal een minuut en dan naar bevind van verder tijdschema wegdraaien – en, vriendelijk verzoek, wegdraaien/’outfaden’ en niet abrupt afbréken. Het is vanaf het begin al matig luide muziek, op het zachte af.
Mogelijke afkondiging:
“Dit was het begin van de Vijfde Symfonie van Dmítri Sjastakóvitsj, een Russisch componist die leefde van 1906 tot 1975. Hij was doodsbang voor dictator Jozef Stalin, een soort Poetin in het kwadraat. Deze Vijfde Symfonie was een soort goedmakertje, misschien wel levensreddend, voor een eerder muziekstuk dat volgens Stalin en consorten té modern klonk.”

